'We moeten praten', zei ik tegen Twan toen we 's avonds voor onze bus zaten. Puck, ons dochtertje van bijna twee jaar, lag te slapen. Vanuit mijn stoel zag ik nog net haar tijgerknuffel naast haar blonde krullen en een mollig beentje, dat onder het dunne laken uitstak.
We stonden sinds vier maanden aan dit lang uitgestrekte strand bij Mythros, een klein ingeslapen havenstadje in Griekenland. Op onze plek stonden een paar oude olijfbomen en we hadden een waslijn van de bus tot een van de bomen gespannen. Mijn bonte truien en de truitjes van Puck zwaaiden een beetje heen en weer in de zachte wind. We zaten op onze eenvoudige stoelen en keken naar de rustige, zilverkleurige zee.
'Waarover wil je nou weer praten?' reageerde Twan kort en enigszins geïrriteerd. 'Ik ben kapot van de tocht en ga zo slapen.' Hij was vroeg in de ochtend vertrokken en net terug van een idagtocht door een van de diepe kloven in de bergen, niet ver van de kust.
Ik was weer de hele dag met Puck bij de bus aan het strand gebleven. Hij zweeg en begon te gapen, leunde op zijn stoel naar achteren, rekte zijn bruingebrande lijf uit en streek met zijn handen door zijn donker krullend haar.
'Twan ... of je bent moe of je hebt geen zin om te praten. Ik wil het er toch over hebben,' herhaalde ik.
De laatste maanden kapte Twan mijn pogingen tot een gesprek over onze reisplannen af. Hij deed dat afwijzend en kil. Zo kende ik hem niet en zijn gedrag ergerde mij steeds meer.
'We zijn al lang onderweg. Eerst een half jaar door Turkije en nu hier sinds maart', begon ik. Ik probeerde rustig te blijven.
'Ik heb genoeg gezien en ben er klaar mee, denk ik. Kunnen we niet weer terug naar Nederland en daar verder gaan met ons leven? Misschien weer studeren na de zomer en trouwens, ook voor Puck zou het ...'
'Ons leven zeg je? Ons leven? Jij wilt terug, ik niet ', onderbrak Twan mij en keek mij doordringend aan met zijn gefronst voorhoofd. 'Weet je wat ik denk? Dat je je altijd anders voor hebt gedaan. We hadden toch een afspraak of niet? We zouden lang gaan reizen, lang weet je, we zijn niet eens een jaar weg. Wat maakt het nu uit dat er een kind bij is? Gebruik je Puck als reden? Dat is niet eerlijk'. Hij bleef mij aanstaren.
'Kunnen we dit niet rustig samen bespreken? Waar we beiden nu staan, wat we willen?' Ik keek in zijn bruine ogen. Ze leken koud.
'Jij met je eeuwige gezeik', reageerde hij boos, pakte het blauwe schepje van Puck dat naast zijn stoel lag en gooide het richting zee.
Ik stond op en liep naar het schepje, pakte het op en liep door tot de zachte branding. Daar bleef ik staan, met mij voeten in het water en een brok van boosheid en verdriet in mijn keel. Waar was de oh zo leuke, ondeugende en bijzondere Twan gebleven, vroeg ik mij af.
In het begin was alles zo intens geweest, de vele kaarsjes op de oude houten vloer in onze allereerste nacht, onze spontane tripjes naar London of Parijs, kleren die hij daar voor mij kocht. Ik wilde zelfs al na enkele maanden een kind van hem, omdat ik zoveel van hem hield. En altijd, ja altijd, maakten we plannen over reizen naar verre landen en lang wegblijven.
Ik moest slikken, draaide mij om en liep terug naar ons busje. Twan lag al binnen, zag mij en draaide zich zwijgend weg van mij.
'Ik ga nog even naar Dimitri's', zei ik.
Langzaam liep ik naar het kafenion van Dimitri aan het begin van de havenkade. Ze kenden ons daar al. De charmante krullenbol uit Nederland met zijn jonge, blonde vrouw en hun grappig dochtertje, een leuk stel. Om te zien.
Dimitri stond rokend voor zijn kafenion, ik maakte een kort praatje met hem en bestelde een ouzo met koud water.
En daar zat zij alleen aan een tafeltje met een biertje. Een slanke, lange vrouw met kort blond haar, ze droeg een kobaltblauw linnen shirt. Ze las in een Nederlands boek. Ik had haar al vaker in het stadje gezien met een blonde man. Volgens mij stonden ze hier ook ergens met een busje. Ze keek mij vriendelijk aan, ze was iets ouder dan ik, schatte ik.
'Hoi, wil je niet hier komen zitten? Ik ben Marjan.' Ze wees naar haar tafel.
'Ja, waarom niet, ik ben Lynn.' Ik ging zitten.
'Ik heb je hier eerder gezien met je man en dochtertje. Jullie zijn hier ook al langer of niet? Waar staan jullie?'
'Meestal aan het strandje hierachter, dicht bij de havenkade, bij de olijfbomen. En jullie?' vroeg ik.
'We mogen bij Yannis staan, het eerste boerderijtje buiten Mythros aan de oude weg naar Kalamata.' Ze nam een slok van haar bier.
'Voor mij is het de eerste keer zo, langer weg en samen in een busje. Voor jullie ook? Hoe vind je het?' vroeg ze benieuwd.
'Tja... we zijn bijna een jaar onderweg. Met z'n drieën. Kleine Puck vindt alles prima en Twan, ja Twan doet zijn ding. Hij houdt van klimmen en uitgaan, contact maken met de Grieken. Hij wil nog verder reizen.' Ik viel stil.
'En jij? Hoe is het voor jou, zo op reis met man en kind?'
'Ik ben veel alleen met Puck,' ging ik langzaam verder,' het is anders in een busje dan dat het thuis was. Ik heb het afgelopen jaar genoeg gezien en heb er niet meer zo veel zin in. Als ik eerlijk ben, wil ik terug.' Het was de eerste keer dat ik dat hardop tegen iemand anders dan Twan zei.
Marjan knikte rustig. 'Dat snap ik, denk ik' zei ze.' We zijn hier nu acht weken en het is fantastisch mooi, maar ik ben blij dat ik over vier weken weer aan het werk kan aan mijn school, weer thuis ben, mijn vrienden en familie weer zie, mijn katten.'
'Twan, die wil dus verder en je wilt terug? En wat gaan jullie doen?'
'Hij wil er niet eens over praten, ik heb het zo vaak geprobeerd. Het is duidelijk dat hij niet terug wil.'
'Waar zie je je dan?'
'Ik weet het niet,' zei ik, 'we hebben alles opgezegd, waar we woonden en we hebben daar afscheid genomen.'
Binnen begon een oude man op zijn mandoline te spelen. We bestelden pitabroodjes met souvlaki's en nog twee ouzo's.
'En? Ga verder...', nodigde Marjan mij uit.
'Het voelt als heimwee naar een huis, ik kan niet meer tegen de ruzies met Twan. Ik ben niet meer blij. Zo ken ik mij niet.'
'Slaap je nog goed?' vroeg Marjan en keek mij aandachtig aan.
'Ik heb drukke dromen, ik weet niet meer waarover als ik wakker word, maar ik ben altijd alleen met Puck.'
Laat op de avond namen we afscheid.
In de weken daarna zagen Marjan en ik elkaar regelmatig aan het strand. Ze was gek op Puck en speelde veel met haar. We bouwden samen met Puck hoge torens in het zand en we leerden elkaar beter kennen. Ze maakte dat ik rustiger werd.
Voor het begin van het nieuwe schooljaar gingen Marjan en haar vriend weer terug naar Nederland. Op de ochtend van hun vertrek zaten we met zijn allen
een laatste keer bij Dimitris met sterke koffie en verse fetabroodjes.
'Ella, ella, kom, kom" riepen een paar oude Grieken naar Puck en ze liep lachend in hun armen. Daarna liep ze weer naar onze tafel.
'Jan, Jaaan…' riep Puck enthousiast en rekte haar armen uit, ze wilde bij Marjan op schoot zitten. Marjan vouwde papieren vogeltjes uit de servetten voor Puck.
'Het was fijn met jullie hier', zei ze 'En onze strandgesprekken zal ik missen'
We omhelsden elkaar kort.
'Kom Puck, we gaan gedag zwaaien' zei ik en pakte haar op, hield haar stevig vast en drukte mijn gezicht in haar blonde krullen. Ze reden weg. Na een paar meter stopte de bus, midden op de kade. Marjan sprong uit de bus en liep snel naar mij toe.
'Hier, dit is voor jou' zei ze en gaf mij een postkaart van Mythros. Ze stapte weer in hun bus en ze reden langzaam weg, zwaaiend en toeterend. Puck en ik zwaaiden terug, ik hield de kaart stevig vast.
Het was een zwart-witfoto van de oude kade met de taverna's en het haventje. Op de achterkant van het kaartje stonden haar telefoonnummer, haar adres en in vette rode letters eronder geschreven:
ALTIJD WELKOM
Het kaartje uit Mythros
—
